Er zijn twee soorten pipetten: positive displacement pipetten en air displacement pipetten. Positive displacement pipetten worden vaak gebruikt voor monsters met een hoge viscositeit, zoals glycerol, of met een hoge dampdruk, zoals vluchtige stoffen als alcohol. Air displacement pipetten zijn geschikt voor de meeste laboratoriumtoepassingen.
Moderne pipetten, ook wel micropipetten genoemd, werken met een piston-slagprincipe. Hierbij wordt de vloeistof gemeten met een zuiger-cilindersysteem in het handvat van de pipet. Door de zuiger in te drukken en langzaam los te laten, ontstaat er door de beweging van de zuiger een vacuüm in de pipetpunt, waardoor vloeistof wordt opgezogen, een proces dat aspiratie wordt genoemd.
Doordat de zuiger in de pipet ver van het vloeistofmonster verwijderd is, kan het luchtkussen tussen de zuiger en de vloeistof invloed hebben op de nauwkeurigheid van dit proces, afhankelijk van het type vloeistof. Bij het indrukken van de zuiger met een pipetpunt vol vloeistof wordt de vloeistof uit de punt gedoseerd.
Positive displacement pipetten werken volgens een soortgelijk principe, maar de punt van het uitwerpsysteem bevat zijn eigen zuiger en daarom is er een minimaal luchtkussen tussen de zuiger, wat een deel van de pipetpunt is, en het vloeistofoppervlak. Dit maakt ze uitermate geschikt voor nauwkeurige dosering van vloeistoffen met afwijkende eigenschappen.